Welkom bij Proza Musica

Dietrich Bonhoeffer en de tekst

Dietrich Bonhoeffer (Breslau - thans Wrocław, 4 februari 1906 - Flossen­bürg, 9 april 1945) was een vooraanstaand Duitse kerkleider, theo­loog en verzetsstrijder tegen het nazisme en schrijver van christelijke boeken.

Onder het nazi-bewind vond Bonhoeffer de weg naar de Bekennende Kirche. Hij nam deel aan een samenzwering tegen Adolf Hitler met als doel hem om te brengen. In 1939 vond Bonhoeffer aansluiting bij een geheime groep van hoge Abwehr-officieren die het Naziregime omver wilde werpen. Hij werd in april 1943 gearresteerd, nadat ontdekt werd dat geld om joden te helpen ontsnappen naar Zwitserland, bij hem vandaan kwam; de aanklacht werd hoogverraad. Na de mislukte aanslag van 20 juli 1944 kwam zijn betrokken­heid met de groep officieren aan het Iicht en hij werd ter dood veroordeeld. Tot de voltrek­king van het vonnis werd hij opgesloten in verschillende gevangenissen en concentratie­kampen, als laatste in Flossenbürg. Het vonnis werd pas op 9 april 1945 voltrokken, minder dan drie weken voordat de stad werd bevrijd. Zijn laatste woorden: “Dit is het einde, voor mij het begin van het leven.”Bonhoeffer was een luthers predikant en theoloog. Hij studeerde in New York en werkte in Berlijn en Londen. In zijn proefschrift over het thema kerk besloot hij dat de kerk een sanctorum communio moest zijn, een gemeenschap van heiligen. De kerk mocht voor Bonhoeffer niet langer gewoon de plaats zijn waar over Christus werd gesproken, echter, ze is het lichaam van Christus. Het werd zijn levenslange roeping om aan die opdracht te voldoen. 

Von guten Mächten treu und still umgeben

De Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer verzette zich moedig en vol overtuiging tegen het Hitler-regime. Als gevolg daarvan werd hij gevangen gezet in het beruchte hoofdkwartier van de Gestapo in Berlijn. Van daaruit stuurde hij op 28 december 1944 een brief aan zijn moeder, die de tekst van het hier besproken lied bevatte. Het lied droeg hij op aan zijn moeder en aan zijn verloofde.

Het lied is persoonlijk van karakter, maar doet zoals in vele psalmen, uitstijgen boven een incidentele situatie die de aanleiding was tot de tekst. Zo stijgt dit gedicht uit boven de persoon­lijke situatie van de dichter. Veel steun en troost vond Dietrich Bonhoeffer in de liede­ren van Paul Gerhardt (1607-1676) tijdens zijn gevangenschap, hetgeen al blijkt uit de keren dat hij deze lieddichter aanhaalt in zijn brieven. In een brief aan zijn ouders schrijft hij ‘Dat het in zo'n situatie (... ) goed is de liederen van Paul Gerhardt te lezen en uit het hoofd te leren.’ De stijl en opzet van Bonhoeffers gedicht verwijzen duidelijk naar de liede­ren van Paul Gerhardt.

Gebruik

Evenals in de dienst op oudejaarsdag, kan dit lied gezongen worden in een eredienst vlak voor, op, of kort na 4 en 5 mei. Ook voor Allerzielen of de Laatste zondag van het Kerkelijk Jaar, dagen waarop de overledenen herdacht worden, is het lied toepasselijk. Eventueel kan het in bepaalde situaties ook met Kerst gezongen worden waar strofe 5 ons herinnert “… [aan Hem] die er was om te getuigen van het licht: het ware licht, dat ieder mens verlicht en naar de wereld kwam” (Joh. 1, 8b-9). In de uitgave ‘Auf dem Wege zur Freiheit’, Berlin 1946, ‘Gedichte und Briefe aus der Haft’ van Dietrich en zijn broer Klaus Bonhoeffer, verwijst redacteur Eberhard Bethge dan ook naar dit lied als ‘Weihnachtsgedicht’.

Gedicht

1.



Von guten Mächten treu und still umgeben,
behütet und getröstet wunderbar,
so will ich diese Tage mit euch leben
und mit euch gehen in ein neues Jahr.

 Door goede machten trouw en stil omgeven,
behoed, getroost, zo wonderlijk en klaar,
zo wil ik graag met u, mijn liefsten, leven,
en met u ingaan in het nieuwe jaar.

2.


 
Noch will das alte unsre Herzen quälen,
noch drückt uns böser Tage schwere Last.
Ach Herr, gib unsern aufgeschreckten Seelen
das Heil, für das du uns geschaffen hast.

 Wil nog de oude pijn ons hart vernielen,
drukt nog de last van 't leed dat ons beklemt,
o Heer, geef onze opgejaagde zielen
het heil waarvoor Gij zelf ons hebt bestemd.

3.



Und reichst du uns den schweren Kelch, den bittern
des Leids, gefüllt bis an den höchsten Rand,
so nehmen wir ihn dankbar ohne Zittern
aus deiner guten und geliebten Hand.

 En wilt Gij ons de bitt're beker geven
met gal gevuld tot aan de hoogste rand,
dan nemen wij hem dankbaar zonder beven
aan uit uw goede, uw geliefde hand.

4.



Doch willst du uns noch einmal Freude schenken
an dieser Welt und ihrer Sonne Glanz,
dann wolln wir des Vergangenen gedenken,
und dann gehört dir unser Leben ganz.

 Maar wilt Gij ons nog eenmaal vreugde schenken
om deze wereld en haar zonneschijn,
leer ons wat is geleden dan herdenken,
geheel van U zal dan ons leven zijn.

5.



Laß warm und hell die Kerzen heute Flammen,
die du in unsre Dunkelheit gebracht,
führ, wenn es sein kann, wieder uns zusammen.
Wir wissen es, dein Licht scheint in der Nacht.

 Laat warm en stil de kaarsen branden heden,
die Gij hier in ons duister hebt gebracht,
breng als het kan ons samen, geef ons vrede.
Wij weten het, uw licht schijnt in de nacht.

6.



Wenn sich die Stille nun tief um uns breitet,
so laß uns hören jenen vollen Klang
der Welt, die unsichtbar sich um uns weitet,
all deiner Kinder hohen Lobgesang.

 Valt om ons heen steeds meer het diepe zwijgen,
de eenzaamheid, die nergens uitkomst ziet,
laat ons dan allerwege horen stijgen
tot lof van U het wereldwijde lied.

7.



Von guten Mächten wunderbar geborgen,
erwarten wir getrost, was kommen mag.
Gott ist bei uns am Abend und am Morgen
und ganz gewiß an jedem neuen Tag.

 In goede machten liefderijk geborgen
verwachten wij getroost wat komen mag.
God is met ons des avonds en des morgens,
is zeker met ons elke nieuwe dag.

   Dietrich Bonhoeffer (1906-1945)  Liedboek (2013) lied 511 / LvdK (1973) Gezang 398,
 vertaling:Jan Willem Schulte Nordholt (1920-1995)