Welkom bij Proza Musica

Aandachtspunten voor uitvoering

Deze cantate is geschreven in een klankidioom en een vormentaal die zijn ontleend aan de baroktijd, als verwijzing naar een voorliefde van Dietrich Bonhoeffer voor de liederen van Paul Gerhardt, die in deze tijd leefde. In enkele opzichten is welbewust afgeweken van de mogelijkheden en onmogelijkheden van deze muziekstijl. De uitvoeringswijze en het verkrijgen van muzikale balans dient vanuit het huidige begrip van barokke zing- en speelmanieren te worden bezien. De keuze voor de instrumenten in dit werk is daarentegen ‘onbarok’ te noemen, waarbij een combinatie van eigentijdse en barokke instrumenten zelfs niet uitgesloten wordt.

De hieronder volgende overwegingen, aanbevelingen en daaruit voortvloeiende keuzes werken het beste uit wanneer deze dienstbaar worden aan het voornaamste muzische uitgangspunt ‘wat willen tekst en muziek in de eerste plaats zeggen’. Zoals het fenomeen lied zich voltrekt uit veel méér dan haar samenhang van woorden en tonen alleen.

De klarinetten

Deze cantate in barokstijl, geschreven in de 21e eeuw, wil een plaats bieden om de expres­sieve en specifieke mogelijkheden van de klarinet te belichten vanuit een muziek die normaal gesproken buiten het bereik van dit instrument ligt. Vers 6, de aria voor sopraan, is in het bijzonder vanuit de klarinet bedacht, met de mogelijkheid om, in een groot toonbereik, de kenmerkende registers tegen­over elkaar te stellen. Tevens is het overblazen in de duodecime een uitgangspunt voor dit deel. De keuze voor klarinetten in A voor dit gehele werk is ingegeven door het fis-mineur van de liedmelodie van Adriaan C. Schuurman, bij Door goede machten trouw en stil omgeven. De omvang van de A-klarinet ligt ‘klemvast’ in deze cantate: de lage e, klinkend cis, wordt regelmatig gebruikt; cis-mineur is tevens de (klinkende) toonsoort van Vers 6. Een slanke, heldere en pure klarinettoon, aansluitend bij de menselijke stem zij als geliefd uitgangs­punt vermeld. Kennis en begrip van barokke toonspraak zijn essentieel.

De strijkers - eigentijdse instrumenten of barokinstrumenten

Daar het gebruik van eigentijdse klarinetten het meest voor de hand ligt, is musiceren in de huidige stemming op a’-440 normaal. Een bezetting formeren met barok-strijkinstrumenten, alsmede het continuo, is, onder meer omwille van het klankcoloriet, de moeite waard. Deze kunnen, gestemd op a’-415, spelen vanaf partijen welke een halve toon omhoog zijn getransponeerd. Hiervoor is een aangepaste partituur en set partijen verkrijg­baar, zie het overzicht met bestelnummers op onze website. Meervoudige bezetting van de strijkerspartijen is denkbaar. Gebruik van vroege(re) klarinettypen kan evenzo onderzocht worden, er dient dan rekening gehouden te worden met de stemtoon die voor deze klarinetten gebruikelijk is. Daarbij kan zich de kwestie aandienen of barokke strijkinstrumenten wat hoger gestemd worden en spelen van normale (niet-transponerende) partijen; of dat deze lager gestemd worden en spelen van de omhoog-getransponeerde partijen. Deze keuze heeft een aanzienlijke invloed op de klankkleur van de strijkers.

De bügel; corno da tirarsi

De bügel geeft de meest optimale breedte aan de klank van de koraallijnen in Vers 1, 5 en 7; waarbij tevens transparantie kan blijven bestaan voor de overige instrumenten. In Vers 5 geeft de bügel duidelijk de toon aan voor de samenzang (in de tweede helft van dit deel). Bij de keuze voor barok-strijkinstrumenten, zoals is beschreven in de vorige paragraaf, is de keuze voor de ‘corno da tirarsi’ een goede overweging voor deze partij, welke zich in de barokperiode zouden laten herkennen als koperblazerspartij in ‘tirarsi-stijl’. Ten behoeve hiervan is een transpositie naar C in de stemming a’-415 beschikbaar voor dit instrument. Aan de uitvoerende zij de nadere keuze(s) met betrekking tot de stemming van het te gebruiken instrument en de te kiezen transpositie(s) overgelaten, mede daar het om eenvoudige partijen gaat.

Het continuo

Het continuo wordt in de eerste plaats gevormd rondom het orgel. De partituur vermeldt steeds orgel (I). In delen waarin de blazers - of uitsluitend zangstemmen (de eerste helft van Vers 5) een voorname rol hebben, heeft het orgel de voorkeur; daar waar strijkers de belangrijk­ste rol hebben, mag hiervoor ook ‘clavecimbel’ worden gelezen. ‘Orgel bij ademstroom’, ‘clavecimbel bij snarenspel’ - de combinatie van beiden ligt voor de hand wanneer blazers en strijkers tegelijkertijd spelen. De continuopartij is uitgewerkt én becijferd, de keuze is aan de uitvoerenden. Voor de contrabas heeft, indien met barok-strijkinstrumenten wordt gespeeld, de violone grosso, welke omlaag octaveert, de voorkeur boven de niet-octaverende. Zie ook de noot op pag. xi (*) over de bezetting, met betrekking tot de inzetbaar­heid van de basklarinet. Het inzetten van de contrabasklarinet, in combinatie met de basklarinet is te overwegen, deze speelt dan van dezelfde partijen als de basklarinet; maar speelt niet mee in Vers 4, vanwege de vastliggende hoogte van deze cantus-firmusstem voor de (gewone) klarinetten.

De vocale partijen - absolute toonhoogte

De belangrijkste partijen worden hier als laatste genoemd, vanwege de hierboven genoemde keuzemogelijkheid voor barok-strijkinstrumenten en -continuo: die van de vocalisten. Het gehele werk is de klinkende toonhoogte a’-440 toebedacht. Indien met barokstrijk­instrumenten en -continuo wordt gemusiceerd, is deze grootste en dragende groep instrumen­ten op a’-415 gestemd en spelen de betreffende musici van partijen welke een halve toon omhoog zijn getransponeerd. Voor vocalisten is het niet zozeer wenselijk een tweede set transponerende partijen te moeten gebruiken om zich in dit geval met de musici van strijkers en continuo te verstaan; alswel het voor de laatstgenoemden plezierig is de vocale partijen getransponeerd te kunnen lezen voor studie- en repetitiedoeleinden. Daarom zijn alle als ondersteuning bijgevoegde noten in ieders partij weergegeven in diens meest dienstbare transpositie. Zo zijn in de vocale partij van Vers 6, voor de sopraniste, de A-klarinetten in C weergegeven. In de partituur voor barok-strijkinstrumenten en -continuo zijn alle transposities weergegeven overeenkomstig ieders betreffende partij; de vocale partijen dus niet-transponerend, gebaseerd op a’-440 (welke, evenals van de partituur voor eigentijdse instrumenten, van de barok-partituur de klinkende toonhoogte is).

De vocale partijen - solisten en ripienisten (koor)

De delen waarin S-A-T-B gezongen wordt kunnen bezet worden door de vier solisten, met elk één tot ca. vier ripienisten. Een grotere bezetting is echter niet uitgesloten. Specifiek onder­scheid is gevraagd in Vers 5, middels de expliciete aanduidingen ‘solo’ en ‘tutti’; respectievelijk solisten zonder - en met ripienisten.

Alexander Prins, december 2012